|
deel 3
(.; 1888; eigen kollektie)
tekst: bereikt en reeds een half uur later stoomde men weer naar buiten, waar weldra met een nieuw stel roeiers de pogingen tot redding werden voortgezet. Ondanks de uiterste krachtsinspanning bleven echter alle pogingen om op zijde van het wrak te komen, of dit voldoende te naderen, vruchteloos. Later getuigde Rijkers: „Het was leven om leven, de meesten van ons zijn ook huisvaders, maar daaraan dacht niemand, wanneer het hartverscheurend hulpgeroep ons bij het naderen al luider en luider in de ooren drong, maar het kon niet; de boot moest behouden blijven, zoowel voor hen als voor ons, en was er slechts één kansje geweest, dan hadden wij het gewaagd." Met het invallen der duisternis moesten alle verdere pogingen worden opgegeven en vreeselijk moet de toestand der 14 overblijvenden geweest zijn, toen sleepboot en reddingboot hen weder verlieten en zij den bangen winternacht, met den dood zoo dicht voor oogen, te gemoet gingen. En de nacht was stormachtig en ruw, de groote en fokkemast sloegen nu over boord, en aan wal, waar zoovelen met angstige bezorgdheid aan het lot der verlatenen dachten, twijfelde nagenoeg niemand meer aan hun ondergang. Maar de bezaansmast had goddank gehouden, en den volgenden morgen, toen de redders weder bij het wrak kwamen, was de wind een weinig bedaard, zoodat met nieuwen moed alle krachten werden ingespannen om de verdere redding te volbrengen. Toch waren de omstandigheden nog zeer ongunstig. De zee liep niet minder hoog dan den vorigen dag, en het wrak was reeds zoo diep in het zand gewoeld, dat nergens meer lij te bekennen was. Ook de vleet, thans vermeerderd met het geheele voor- en groottuig, zweepte de golven met ontzettend geweld, zoodat het naderen der reddingboot uiterst gevaarlijk werk bleef. Met de grootste krachtsinspanning roeiende mocht het echter gelukken, de boot zoo dicht aan het achterschip te houden, dat nog zeven schipbreukelingen, die zich één voor één langs de gaffelgeerden tot op het water lieten zakken, met toegeworpen lijnen in de reddingboot konden gehaald worden. Toen echter werden de omstandigheden weder zoo ongunstig, dat, ondanks tot 's avonds laat het werk werd volgehouden, nog 5 man in de bezaansmars moesten blijven. Met een gespannen lap zeildoek als eenige beschutting voor den guren wind, zaten zij daar dicht bij elkander gehurkt; geen kreet werd meer gehoord. In stomme vertwijfeling gingen zij nogmaals den somberen Decembernacht te gemoet. Slechts vijf man bleven achter, want de tweede stuurman van het schip, die door uitputting niet meer in staat was geweest om zich aan de toegeworpen lijnen vast te houden, was dien dag verdronken, terwijl een matroos, die zich den vorigen dag ontkleed had om te trachten zwemmende de reddingboot te bereiken , van koude en uitputting was bezweken. Gelukkig werd het weder in den daarop volgenden nacht wat handzamer, zoodat den volgenden morgen eindelijk de vierde tocht van de reddingboot met den gewenschten uitslag bekroond werd. De achtergeblevenen werden nu van het wrak gehaald, altijd nog onder zeer gevaarlijke omstandigheden , en op dezelfde wijze als dit den vorigen dag had plaats gehad. Geheel verkleumd en uitgeput werden de ongelukkigen, die vreeselijk hadden geleden, tegen twaalf uur aan wal gebracht, alwaar de zoo hoog noodige hulp en verpleging verschaft werd. Eenige dagen later bezweek echter de kok, een man van 65 jaar, die reeds vóór het ongeval aan longontsteking lijdende was , en wien dit lijden den laatsten stoot had gegeven. Het tooneel, dat de haven van Nieuwediep dien Zondagmorgen te aanschouwen gaf, zal voorzeker bij velen nog lang in herinnering blijven. Met de vlaggen in top, ten teeken dat het zoo vurig verlangde succes eindelijk verkregen was, stoomde de Hercules met de reddingboot op sleeptouw de haven binnen, begroet door een daverend hoera van de bemanning der oorlogsschepen en van de talrijke menigte, die langs de kade den terugtocht afwachtte. Algemeen was de geestdrift; men verdrong zich nabij de aanlegplaats om toch het eerst de kloeke redders de hand te mogen drukken en toen eindelijk de schipbreukelingen waren bezorgd en de redders aan wal stapten , steeg de opgewondenheid ten top, en werd de tocht huiswaarts een ware triomftocht. Eere wien eere toekomt, en daarom zouden wij niet gaarne eindigen, zonder te gewagen van den kapitein en de bemanning van de Hercules, die onvermoeid steeds tot handelen gereed waren. Voorzeker heeft kapitein Bakker, door de meesterlijke behandeling van zijn schip, dat dikwijls in zeer gevaarlijke positie verkeerde, zeer veel tot den goeden uitslag bijgedragen. Zijne kalmte en overleg kan niet genoeg worden geroemd. Gaarne voegen wij dit bij de hulde, die wij in „Eigen Haard" wenschten te brengen aan het kloekmoedig gedrag van mannen, die voor zulk een edel doel hun leven in de waagschaal hebben gesteld.
< Vorige |
^ Terug naar overzicht
| Volgende >
|