media.dorusrijkers.nl


Klaas Toxopeus vertelt

[ Terug naar het bovenliggende album ]

[laatst gewijzigd 27 maart 2004]

Op Op 5 februari 1962 zond de NCRV twee verhalen van Klaas Toxopeus uit.

Klik HIER voor de verhalen of HIER RECHTSTREEKS (in REAL AUDIO)

00'00" Inleiding
02'10" De tocht met de mrb Insulinde naar de coaster Willem van Kampen op 16-10-1958.
15'15" De redding van de bemanning van de duitse Noordzeelichter Nr. 165 (03-09-1950) m.b.v. de reserveboot Twenthe.
25'44 einde

Verslagen uit 'DE REDDINGBOOT van deze diensten :
---------------------------------------------------------------------------------
De Reddingboot nr. 85, december 1958:

ZWARE TOCHT VAN DE MRB. INSULINDE
16 oktober 1958.
Zware noordwester storm; de Noordzee is wild en schepen komen in moeilijkheden.
Het Poolse s.s. General Bem seinde te 18.15, dat een kustvaarder (nationaliteit onbekend) met de seinlamp S.O.S. tekens gaf. Positie 54°17'n 06°20 o. De kustvaarder had roerschade en vroeg om een reddingboot.
De dichtsbijgelegen Nederlandse reddingboot (de Insulinde van Oostmahorn) lag echter op een afstand van 55 zeemijl. Het is een moeilijke beslissing om tijdens een hevige noordwester een reddingboot zó ver uit de kust te sturen. Er kunnen dan immers schepen in nood komen te verkeren op de gronden en het uitzenden van een boot naar een noodgeval op 55' afstand betekent, dat op een gedeelte van de kust tijdelijk geen reddingboot beschikbaar is.
Voorlopig zou de Insulinde echter te Oostmahorn kunnen blijven, want de Duitse reddingkruiser Hermann Apelt, speciaal bestemd voor tochten op grote afstand uit de wal (drie motoren, totaal vermogen 1400 pk, max. snelheid 17' p. u.) was te 19.07 uit Helgoland vertrokken naar 54°17' n 06°20' o.
De General Bem en een Britse trawier, de Clan Rose, bleven, in afwachting van de komst van een reddingboot, in de nabijheid van de in moeilijkheden verkerende kustvaarder.
Te 10 uur 's avonds werd het bericht opgevangen, dat de Hermann Apelt wegens roerschade terugkeerde naar Helgoland. Scheveningen-Radio heeft toen op ons verzoek bij Norddeich-Radio (welk station de leiding had van dit noodverkeer) geïnformeerd of er ook een andere Duitse reddingboot zou uitvaren. Het antwoord luidde ontkennend.
Besloten werd de Insulinde uit te sturen.
Wij vroegen een radiopeiling van de General Bem te nemen teneinde de Insulinde de juiste positie te kunnen meegeven. De positie was 54°14' n 6°15.'5 o.
Een zware tocht lag voor de boeg. Wind n.n.w., kracht 9-10. Vier man voeren met de Insulinde de storm tegemoet: Kl. Toxopeus, schipper, Kl. Scheepstra, motordrijver, S. Reiding, stuurman en Sj. Dijk, opstapper. Helaas was de opstapper W. Zijlstra wegens ziekte verhinderd mee te gaan.
De schipper schreef in zijn rapport, dat hij halve kracht over de gronden van het Plaatgat lopend, drie zeer zware brekers over kreeg, maar de Insulinde hield zich prima en 17 oktober 01.30 werd de lichtboei ET 16 gepasseerd.
Met een snelheid van 8 zeemijl per uur liep de Insulinde nu in koers n.t.o. (rekening houdende met ebstroom en zeegang die op vier streken aan bakboord inliep) naar buiten; meer vaart zou te riskant zijn geweest want een schip moet de tijd hebben in een golfdal te rijzen.
In wolken buiswater zette de Insulinde verbeten door. Het werd een lange, vermoeiende nacht.
In zijn rapport schreef schipper K. Toxopeus o.m.:

„Eindelijk om zes uur in de morgen zagen we, als we boven op een stuk water stonden, een vuur; zou dit van het bewuste schip zijn? Neen 't was hem niet; 't was een Duits motorschip, dat lag te steken. Verder ging het en te zeven uur zagen we weer schepen op een afstand. Precies acht uur 's morgens liepen we de General Bem aan, een schip van 6000 ton, dat in de nabijheid van de kustvaarder lag. Op een halve mijl afstand zagen we de kustvaarder zwaar in de zee liggen werken; aan de achtermast woei de Nederlandse driekleur, aan ons bezaantje dezelfde vlag; even komt het je aan, als je op deze lengte en breedte je eigen landgenoten mag bijstaan. Het was de „Willem", thuishaven Kampen (met een lading hout komende van Finland). De kapitein deelde mede, dat zijn stuurgerei onklaar was en vroeg of we bij hem wilden blijven, natuurlijk we blijven bij U, daar zijn we voor gekomen.
In het stuurhuis van de Willem zagen we een vrouw en drie kleine kinderen; ik kan me indenken, wat een geruststelling het voor de kapitein is geweest toen de Insulinde bij hem was gekomen. We zijn toen even naar de General Bem gevaren om de kapitein te bedanken voor de bijstand, die hij de Willem had gegeven.
Op het Poolse schip stond de hele bemanning ons toe te wuiven.
Weer bij de Willem gekomen besloten we om voor de zee weg te lenzen naar de Wester Ems; het was een hele opdracht voor de kapitein van de Willem om zijn schip met z'n halfgebakken stuurgerei voor de zee te krijgen, maar het lukte. Voor zee en wind lenzende, gingen we op weg naar de kust. Om vier uur 's middags liepen we de kust aan tussen Ameland en Schiermonnikoog. Toen vroeg de kapitein van de Willem of we hem naar Terschelling wilden begeleiden. Te 7 uur 's avonds waren we bij Lichtschip Terschellingerbank; toen riep de Willem ons per morselamp op. We praaiden hem; de kapitein zei dat hij doorging naar IJmuiden; hij kon nu vóór de zee varen.
Hartelijk bedankte hij voor de door de Insulinde verleende assistentie."

De Insulinde was 17 oktober omstreeks middernacht terug in Oostmahorn na een succesvolle doch zéér veel inspanning vergende tocht.

G. J. van der Molen, kapitein van het m.s. Willem schreef d.d. 30 oktober 1958 uit Nyköbing navolgende brief aan schipper en bemanning van de Insulinde:

„Waarde kapitein en bemanning,
Langs deze weg zeggen we U heel hartelijk dank voor de bewezen diensten tijdens de storm van jl. 16 en 17 okt. '58. Ongetwijfeld is het voor U en de Uwen een zware opgave geweest om de „Willem" op zo'n grote afstand uit de kust te bereiken. Onze blijdschap steeg ten top, toen de „Insulinde" arriveerde, want dit betekende dat de redding nabij was van een gezin met drie kleine kinderen, een stuurman, machinist en een matroos, totaal acht personen, welke meer dan twee dagen hadden geworsteld om hun scheepje gaande te houden in een zware nw storm.
Het behoeft geen verder betoog dat onze dankbaarheid zeer groot is jegens U allen, want ook Uw leven stond toch min of meer op het spel voor ons.
„Hierbij nog even in het kort het laatste verloop van deze reis. De „Willem" was onderweg met een lading hout van Abö naar Zwolle. Tot Cuxhaven verliep de reis vrij normaal. We passeerden deze haven op dinsdag 14 oktober 1958 te 18 uur. De weerberichten waren zw 3-5 voor de Duitse Bocht. Buiten de Elbe was de wind wnw 4. Woensdagmorgen te 2 uur wakkerde de wind plotseling aan uit nw tot kracht 8 a 9 en stond er al spoedig een hoge zee. Kort daarop gingen we liggen steken, en daar het weer nog verslechterde, besloten we woensdagavond noodseinen te geven, daar we dachten het schip niet de baas te kunnen blijven. Deze seinen (vuurpijlen) werden opgemerkt door Borkum Rif lichtschip en via Norddeich Radio aan alle schepen doorgegeven. Er kwam echter geen hulp opdagen. (*)
Donderdagavond om 17 uur kregen we een zware zee te verwerken en hierdoor brak het stuurgerei. Het noodstuurgerei lag reeds klaar voor gebruik, doch dat ging niet best.
Te 19 uur werden rode lichten ontstoken en dit trok de aandacht van een Poolse vrachbtoot, de „Generaal Bem". Deze boot heeft voor ons verzocht om reddingboothulp en bleef op verzoek bij ons in de buurt tot de driekleur in 't zicht kwam van de „Insulinde". Onze bemanning heeft moeilijke uren doorgemaakt, doch ze hebben zich allen kranig gehouden. Nogmaals namens mijn gezin en alle verdere leden der bemanning ten zeerste onze dank voor Uw menslievendheid aan ons bewezen.
De Heere zegene U allen en stelle U nog tot een zegen voor velen tot in lengte van dagen."

(*) De reddingkruiser Theodor Heuss van station Borkum der Deutsche Gesellschaft zur Rettung Schiffbrüchiger, woensdagavond 15 oktober uitgevaren na bericht te hebben ontvangen, dat door het Lichtschip Borkumerrif noodseinen waren gezien in nno-lijke richting, heeft de Willem niet kunnen vinden en keerde onverrichterzake te Borkum terug.
---------------------------------------------------------------------------------

De Reddingboot nr. 86, juni 1959 :

2014. KUSTVAARDER WILLEM IN MOEILIJKHEDEN, ZWARE TOCHT VAN DE INSULINDE
16 oktober is de mrb. Insulinde te 23.30 vertrokken van Oostmahorn op het bericht, dat een kustvaarder, positie 54°14' n. 06°15½' o. (d.i. 50' ben. Oostmahorn) de assistentie van een reddingboot had ingeroepen. Het was zeer zwaar stormweer, wind n.n.w., 9—10, zware zee.
De uiterst vermoeiende en moeilijke tocht van de Insulinde naar de Nederlandse kustvaarder Willem is uitvoerig beschreven in De Reddingboot no. 85 blz. 3462—3466, zodat hier kan worden volstaan met de mededeling, dat de Insulinde kans heeft gezien de Willem te vinden en de kustvaarder te begeleiden tot het lichtschip Terschellingerbank.
17 oktober + 24.00 was de Insulinde, na een tocht van 24 uur, terug te Oostmahorn. Behalve de reeds in De Reddingboot No. 85 vermelde bedankbrief van G. F. van der Molen, kapitein van het m.s. Willem, ontvingen wij ook nog navolgende, door ons zeer op prijs gestelde, brief van een der opvarenden van de Willem t.w. J. van der Molen.
Hij schreef ons:

„Als opvarende van de Willem, die in de jongste storm de reddingboot Insulinde als beschermwacht kreeg, is het mij een behoefte U een briefje te schrijven.
Naast God, dank ik in de eerste plaats schipper en bemanning van de mrb. Insulinde. En verder breng ik dank aan u en het gehele Reddingwezen voor de bewezen diensten tot redding van mensenlevens. Moge het reddingwezen wél varen, tot heil van alle zeevarenden. Ten bate van de K.N.Z.H.R.M. sluit ikhierbij een dankgift in van f 50,--.
U verder hartelijk groetend,
Hoogachtend,
w.g. J. van der Molen, lid K.N.Z.H.R.M.
---------------------------------------------------------------------------------

Uit De Reddingboot nr. 70, juni 1951:

1309. OP HET NIPPERTJE GERED.
Zondag 3 september 01.00 zag loodsschipper 1e klasse J. Oosterhuis aan boord van de, op de kruispost buiten het Huibertgat liggende, loodsboot „Wega", dat de Duitse loodsboot „Emden" een Duitse sleepboot en een lichter naar binnen voorstoomde.
Stormachtige NWtN wind, zware regen en onweersbuien, slecht zicht.
Loodsschipper Oosterhuis had een uur geleden een Duitse sleepboot met twee lichters naar buiten zien stomen en hij kwam tot de conclusie, dat de sleepboot een lichter had verloren op zee. Noch de Duitse loodsboot ,,Emden", noch de Duitse sleepboot gaven echter met enig sein te kennen aan „Wega", dat zulks inderdaad het geval is.
Toen de „Wega" echter te 01.30 het Nederlandse m.s. Depa naar binnen voorstoomde werden enige lichten aan stuurboord van het vaarwater opgemerkt. De schipper van de „Wega" achtte het zeer waarschijnlijk, dat dit de lichten waren van de losgeslagen lichter, die de gevaarlijke kant van de Lauwersgronden opdreef. Vandaar dat hij te 02.00 Kustwacht Brandaris verzocht het reddingstation Oostmahorn te waarschuwen.
Aldus geschiedde. Klaas Toxopeus, schipper van de mrb. „Twenthe" werd even over twee uur uit zijn bed gebeld en alarmeerde zijn bemanning.
02.30 werden de trossen losgegooid en de „Twenthe" vertrok in de stormnacht. Verwacht werd, dat de lichter in de buurt van de Lauwersgronden zou stranden. De NW wind had het water genoeg opgestuwd om de tocht over het wad (beZuiden Schiermonnikoog) te kunnen maken, doch tengevolge van hevig slingeren der reddingboot brak een der electrische geleidingen van het zoeklicht zodat de slingerende vaargeul over het wad in het donker moest worden gevonden,
's Ochtends 04.30 werd nabij een baken op een diepte van 14 voet geankerd om daglicht af te wachten. Het water viel en schipper Toxopeus wilde niet de kans lopen geboeid te raken.
Na drie kwartier was het voldoende licht om de tocht te vervolgen. Dichtbij bleek een drijfbaken in de Spruit te liggen; hier vandaan voer de „Twenthe" langs de Bosplaat door de Lauwers naar buiten.
Er stond hoge zee; wind en stroom tegen elkaar.
Langs het rif van de Bosplaat varend kwam de reddingboot in de branding van de Lauwersgronden.
Ineens werd tussen de buien door de lichter verkend. Het vaartuig lag in de branding; van alle kanten brak de zee er over heen en de situatie was uiterst gevaarlijk.
De „Twenthe" naderde behoedzaam.
Dichterbij gekomen zag men iemand naar het voorschip rennen: er bleken dus nog mensen aan boord te zijn. De bemanning van de „Twenthe" maakte alles klaar voor de strijd, die zou komen. De reddingboot ging te keer als een speelse hond, maar de redders hadden vertrouwen in haar. Reeds vele malen waren zij met haar in de branding geweest, doch ditmaal zou het een succes worden voor de naam „Twenthe".
Op 25 M. afstand voer de „Twenthe" langs de lichter om de situatie te verkennen. De drie opvarenden verkeerden in groot levensgevaar. De luiken waren
ingeslagen en alleen de stuurhut op het achterschip gaf nog enige beschutting (de ramen waren echter reeds kapot).
De „Twenthe" kon evenwel alleen bij het voorschip de lichter benaderen en zo zat er dus voor de schipbreukelingen niets anders op dan te profiteren van een der zeldzame rustige ogenblikken om naar het voorschip te rennen.
Eén wilde direct overboord springen: gelukkig wisten de redders hem te beduiden om te wachten. Het wrak gaf geen lij; de wilde branding kwam van alle kanten aanstuiven.
Van een gelukkig moment, dat de „Twenthe" door een hoge zee werd opgenomen, die haar vlak langs de lichter wierp, maakten de schipbreukelingen gebruik om over te springen. Eén viel tussen wrak en reddingboot, maar uiterst snel was de reactie van de redders. Zij hadden hem direct te pakken en sleurden de man aan dek.

De „Twenthe" voer onmiddellijk via Lauwers langs Simonszand door de branding de Eilanderbalg in en zo vervolgens over het wad via het Oord naar Oostmahorn.
De drie schipbreukelingen — de 60-jarige schipper van de verongelukte lichter (de No. 165, groot 700 ton, geladen met steenkolen, eigenaar Norddeutsche Lloyd) had verwondingen opgelopen — zochten het kacheltje op in de kajuit en deden zich te goed aan warme koffie en rum.
Zij hadden alle. hoop op redding reeds opgegeven en het was een geweldige belevenis geweest om plotseling de wit-blauwe „Twenthe" uit de grijze ochtendschemer te zien naderen door de stormzee. Het achterschip van de No 165 stond reeds vol water; de enkele vuurpijlen aan boord waren nat geworden.
Korte tijd na de redding is de lichter No. 165 gebroken en verdween onder de golven. Dit is inderdaad een redding op het nippertje geweest.
Te 11.30 kwam de „Twenthe" met de Maatschappij-vlag fier in top te Oostmahorn terug. De uitgeputte schipbreukelingen werden naar Hotel Minneboo te Anjum gebracht, waar zij spoedig onder de wol verdwenen.

Zoals uit het bovenstaande blijkt is het aan de oplettendheid van loodsschipper J. Oosterhuis te danken geweest, dat de „Twenthe" werd gealarmeerd. Wij hebben hem hiervoor onze waardering betuigd en hem een reproductie van de tekening ,,Redding van de „Lotte Skou" gezonden. Hij bedankte ons daarvoor en schreef o.a. ,,hoewel niet meer gedaan hebbend dan mijn zeemansplicht doet het toch goed deze waardering te mogen ontvangen".
* * *
Aangezien het ons niet waarschijnlijk voorkwam, dat de Duitse sleepboot, nadat de lichter was losgeslagen, hiervan geen melding zou hebben gemaakt, stelden wij een nader onderzoek in.
Het bleek, dat de sleepboot inderdaad te 01.18 radio-telefonisch het Duitse radiokust-station Norddeich had gewaarschuwd, doch niet op de z.g. noodgolf. Het reddingstation Borkum werd gealarmeerd, de Duitse reddingboot „Borkum" voer te 00,47 uit, doch kreeg last van een verstopte brandstofleiding zodat zij moest terugkeren.
Borkum verzuimde echter het Nederlandse reddingstation Oostmahorn te waarschuwen; als loods-schipper Oosterhuis van de Wega niet zo waakzaam was geweest zouden de drie opvarenden van de No. 165 onherroepelijk zijn verdronken.
Wij hebben overleg gepleegd met de „Deutsche Gesellschaft zur Rettung Schiffbrüchiger" en de als gevolg hiervan getroffen regeling zal, naar wij hopen, een betere berichtgeving waarborgen,

In warme bewoordingen gevatte dankbetuigingen voor de door de mrb. „Twenthe" verrichte redding werden ontvangen van de Nord-deutsche Lloyd te Bremen, de burgemeester van Bremen en de See-Berufsgenossenschaft te Hamburg.
De Directie van de Norddeutsche Lloyd schreef o.m.:
,,Die Besatzung des Schiffes befand sich, zumal die Wetterverhalt-
,,nisse ausserordentlich ungünstig waren, in unmittelbarer Lebensge-
,,fahr. Das Rettungsboot „Twenthe" unternahm es trotz schwieriger
,,Bedingungen. die Besatzung unserer Leichters zu retten. Durch
..ausserordentlich geschickte Manöver gelang es dem Rettungsboot
„an das Wrack unseres Leichters heran zu kommen und die Besatzung
„zu übernehnen. Die Leistungen, die die Besatzung Ihres Rettungs~
„bootes dabei vollbrachte, verdienen höchste Anerkennung."

31 October 1950 reikte de voorzitter van de Kon. N.Z.H.R.M. navolgende onderscheidingen uit aan de bemanning van de „Twenthe" voor hun stoutmoedige en van groot zeemanschap getuigend optreden op 3 September t.w.:
Klaas Toxopeus, schipper, kleine zilveren medaille der Kon. N.Z.H.R.M. J. Toxopeus, stuurman, grote bronzen draagmedaille Kon. N.Z.H.R.M. KI. Scheepstra, motordrijver, A. Steegstra, KI. Steegstra, R. Frik opstappers, de grote bronzen medaille der Kon. N.Z.H.R.M., allen met getuigschrift.
Ook de Deutsche Gesellschaft zur Rettung Schiffbriichiger kende onderscheidingen toe aan de bemanning van de „Twenthe" voor de door haar op 3 September 1950 verrichte redding. Binnenkort zal aan schipper K. Toxopeus de kleine zilveren medaille en aan de bemanning de bronzen medaille van de Duitse Reddingmaatschappij worden uitgereikt.

mrb Insulinde

"mrb Insulinde"

mrb Twenthe bij Lichter No. 165 (03.09.1950)

"mrb Twenthe bij Lichter No. 165 (03.09.1950)"

3-9-1950: Twee van de drie geredden van Lichter No. 165

"3-9-1950: Twee van de drie geredden van Lichter No. 165"

31-10-1950. Uitreiking onderscheidingen aan bemanning mrb

"31-10-1950. Uitreiking onderscheidingen aan bemanning mrb "Twenthe"."


[ Hoofdpagina ] - [ Disclaimer ]